Ongeveer 13,8 miljard jaar geleden begon alles met wat we de Oerknal (of Big Bang) noemen. Dit was geen explosie in de ruimte, maar een plotselinge, gigantische uitdijing van de ruimte zelf. Op dat moment was alle materie, energie, ruimte en tijd samengeperst in één extreem heet en dicht punt — een singulariteit.

Toen de ruimte begon uit te dijen, koelde het universum langzaam af. De eerste seconde na de oerknal was gevuld met pure energie. Uit die energie ontstonden de fundamentele deeltjes: protonen, neutronen en elektronen. Na enkele minuten begonnen protonen en neutronen zich te hechten tot de eerste eenvoudige atoomkernen — vooral waterstof en helium.

Enkele honderden duizenden jaren later, toen het universum genoeg was afgekoeld, konden elektronen zich aan de atoomkernen binden. Hierdoor ontstond neutraal gas en werd het universum voor het eerst transparant voor licht. Het licht uit die tijd kunnen we vandaag nog steeds waarnemen als de kosmische achtergrondstraling — een soort fossiel van de oerknal.

Met de tijd begon zwaartekracht gaswolken samen te trekken. Zo ontstonden de eerste sterren en sterrenstelsels. Binnenin die sterren vormden zich door kernfusie zwaardere elementen zoals koolstof, zuurstof en ijzer. Wanneer grote sterren aan het einde van hun leven ontploften als supernova’s, verspreidden ze die elementen door het heelal, waardoor later planeten, manen en uiteindelijk leven konden ontstaan.

Tot vandaag blijft het universum uitdijen. Wetenschappers weten nog niet precies wat de toekomst brengt — zal de uitdijing uiteindelijk stoppen, of zal het heelal voor altijd groter worden?
_________________________________________________________________________________